De urgentie van kunst
De urgentie van kunst
Marinus Boezem
“Iedereen kent de clichés over de jaren zestig. Eén ding staat vast: er waren idealen en ideeën, en er was veel optimisme. De grenzen opzoeken van wat tot dan toe gebruikelijk was. Daarover ging het, zeker in de beeldende kunst. Kijken of kunst een andere context kan hebben dan de witte wanden het museum of de spijker boven de bank. In die tijd probeerde ik de sculptuur een andere gedaante te geven. Zo vond ik het interessant om, na eeuwenlang schilderen van landschappen en stillevens, een weerkaart van de Bilt als een landschap te zien.
Op het moment dat je iets immaterieels als het weer binnen brengt in de wereld van de kunst, wordt daar anders naar gekeken. In diezelfde tijd heb ik een deel van de Hollandse polder tentoongesteld. Mensen kwamen voorbij over die dijk, je keek uit op het verkavelde polderlandschap waar ik klapstoelen en tafeltjes had neergezet en mandflessen slechte wijn. Ook weer een act om de galerie te ontlopen om te kijken in hoeverre kunst over het leven zou kunnen gaan. Er werd in eerste instantie lacherig op gereageerd, zo van: die gek noemt dat kunst! Toch werd er over nagedacht, er was bewustwording, men kwam erop terug in gesprekken. Eind jaren zestig bestelde ik een piloot die boven Amsterdam de hemel signeerde met z’n uitlaatgassen: BOEZEM. Zo werd het hele universum tot kunst verklaard. Met de nodige ironie, want de wind blies de letters langzaam weer weg. Tijdens de eerste belangrijke tentoonstelling van conceptuele kunst in het Stedelijk Museum in Amsterdam, met kunstenaars als Dibbets en Van Elk, hing ik beddegoed uit de ramen. Dat is toen pas ontstaan: dat je een kunstwerk kon navertellen in het café. Dat je niet op je fiets door heel slecht weer naar een schilderij moest fietsen om het te bekijken onder het regime van een plek. Kunst werd communicabel; er zat veel taal in die kunst!”
De Drukkery Talkshow, 2 april 2010 / Rebecca van Wittene Vivace #zomer 2009
